Etappe 01/27: Visé (B) - Eijsden (15,4 km)

Etappe 01/27: Visé (B) - Eijsden (15,4 km)
4 februari 2015:

"Als vanzelf neem ik een moment van stilte,..."

Ik ben eerder dan gebruikelijk opgestaan om mij in alle rust voor te bereiden op mijn nieuwe wandelavontuur. Ik sta aan het begin van mijn eerste échte ‘Pelgrimage’. Ik zie uit naar een tijd van bezinning en een tijd om gewoon even weg te zijn, weg van het soms o zo drukke sociale leven. Niet dat mijn sociale leven nou zo slecht is, ik heb niets te klagen. Maar het ‘getrek’ van de maatschappij vormt een soms ongewenste belasting voor de mens. Tijdens de komende pelgrimage ontvlucht ik min of meer even het ‘oneindige getrek’ en het ‘irritante geclaim’ van de maatschappij. Ik ga even op zoek naar de rust die ik als mens zo hard nodig heb. Als pelgrim zoek ik mijn contact met ‘De Tuin’ om te genieten van alles wat ons mensen gegeven is. Zo zoek ik ook tijd om met mijn ‘Schepper’ door te brengen, waarmee ik mijn geloof hoop te versterken.

En zo begint mijn nieuwe reis in alle rust op deze vroege woensdagochtend. Ik heb de maatschappij even ‘uitgeschakeld’ en stap zonder een enkele vorm van druk om 09.06 uur in de stoptrein richting Maastricht. In de trein kom ik kort aan de praat met een collega die, als gevolg van ziekte, allerlei problemen heeft om zijn reisfaciliteiten op orde te krijgen. Het is overduidelijk dat mijn collega er buitengewoon onrustig van is geworden. Ik bedenk dat het één van de grote oorzaken is van onze ‘algehele onrust’,… de ‘bureaucratie’. Op station Heerlen ontmoet ik een van de ‘trouwe volgers’ van mijn wandelverhalen. We bezigen even het ‘gewone spoorgezwam’ en verzanden in een hartelijk gelach. Plotseling zegt hij; ‘Je zult wel flink gebeden hebben hè Ad, kijk eens naar het weer.” “Ja wat dacht jij dan, natuurlijk. Ik heb alleen wat last van mijn knieën nu.”; is mijn lacherige antwoord.

Maar voorwaar, bij het vertrek vanuit Heerlen streelt de zon op fluwelen wijze het Limburgse landschap. Ik wordt er helemaal warm van. Tijdens de rit struin ik het Limburgse landschap af naar de schoonheid van ‘De Tuin’. “Geweldig, wat een beetje zon kan doen.”; zo overpeins ik mijn gedachte dat ik een zoekende ben. Een zoekende pelgrim op reis naar onbekende bestemmingen in het land waar ik woon en werk. Een land, zó kortbij en soms toch zó ver weg. Opnieuw vraag ik mij af waarom mensen zo’n verre vakantiebestemmingen opzoeken, terwijl het mooiste om te ontdekken naast de deur ligt. Maar op een of andere manier zijn mensen op zoek naar nieuwe werelden, terwijl de wereld naast de deur een grote onbekende blijft.

Op station Meerssen stapt een wat oudere vrouw in de trein en neemt plaats naast een vriendin op de stoelen achter mij. Als ik ooit een voorbeeld heb gekregen hoe je níet moet omgaan met je eigen rust dan is het wel nu. De vrouw, die haar vriendin blijkbaar al een tijdje niet heeft ontmoet, verteld honderduit over haar drukke agenda. Zo is zij daags tevoren naar Schiphol geweest om mensen op te halen om dezelfde dag nog door te stomen naar Rosmalen voor wat vriendenafspraakjes. Diezelfde dag nog terug naar Meerssen om ’s avonds nog wat verenigingswerk te doen. Vandaag gaat ze opnieuw naar Schiphol om andere zaakjes te regelen, om vervolgens weer snel naar huis te komen voor een vergadering van een vrouwenclubje. Daarna verteld ze opnieuw honderduit over haar volgende afspraken in haar agenda. Uiteindelijk blijkt dat ze er ook nog een nieuwe vriend op nahoud, die ook aandacht nodig heeft, en nog wat afspraakjes moet nakomen in Amsterdam. “Ja, het is soms wel erg veel, maar ja, nog even volhouden en dan heb ik het gehad.”; is haar vermoeide slotwoord. En ik schud mijn hoofd en ben bang dat deze vrouw een van de vele slachtoffers is van onze ‘claimende maatschappij’.

Op station Maastricht stap ik over op het Belgische treintje richting Visé. Heerlijk ontspannen zak ik achterover in de luxe eerste klasse stoel van de knusse eerste klasse coupé. Na een kort ritje stap ik precies op tijd, om 10.02 uur, uit op het perron van station Visé. Het kleine treintje verdwijnt uit ’t zicht en ik blijf alleen achter op een leeg maar zonovergoten perron. Het rangeerterrein van Visé roept herinneringen op aan oude tijden in de rangeerdienst. De twee fraaie boogbruggen geven het complex iets nostalgisch. Via een steile trap omhoog verlaat ik het perron en wandel aan de ‘stadszijde’ het historische Visé binnen. Er heerst een soort van ‘gemütliche’ drukte in de smalle straten van de stad. Na de passage van enkele zeer fraaie bouwwerken sta ik al snel stil bij het eerste monument van mijn pelgrimage.

Het is het monument ter verheerlijking van de overwinnende soldaten tijdens de Grote Oorlog in West-Europa. De inwijding van het monument vond plaats op 19 augustus 1928 door de hertog en hertogin van Brabant, Leopold en Astrid. Als ik de foto’s bij het monument bekijk moet het een feestelijke inwijding zijn geweest. Het roept bij mij een schril contrast op als ik bedenk hoeveel mensenlevens deze Grote Oorlog wel niet gekost heeft. Eens temeer als ik besef dat slechts twaalf jaar na deze inwijding Europa opnieuw ‘in brand’ stond en tijdens de Tweede Wereldoorlog opnieuw veel mensenlevens waren te betreuren. Ook aan het einde van díe oorlog was het feest, en werden de overwinning en de bevrijding gevierd. En mij overvalt de gedachte dat er nu, zo’n 70 jaar later, wereldwijd nog steeds heftige oorlogen gaande zijn, waar mensen elkaar afslachten in hun jacht naar rijkdom en macht. “Wat hebben wij mensen toch nodig om te leren hoe we met elkaar samen kunnen leven?”; zo vraag ik mij bij het monument verbijsterend af. Plotseling schiet mij het lied te binnen van Kathy Mattea, ‘Give Yourself To Love’. En mijn conclusie staat vast. Als we onszelf overgeven aan de liefde, zoals die is bedoeld door onze Schepper, pas dan zullen we in harmonie en vrede met elkaar kunnen samenleven.

Voorbij de kerk en een heel klein kapelletje laat ik stilaan Visé achter me. Vanaf een aantal dikke rotsblokken gaat de weg ineens stevig omhoog en wandel ik over het originele ‘Pelgrimspad’ de bossen in. Niet snel daarna wandel ik onder schitterende wolkenluchten door een groots weiland met geweldige vergezichten over de omgeving. Over een bemodderd boerenpad nabij ‘Dalhem’ komen de eerste contouren in zicht van het riviertje de ‘Berwinne’. Het is een oogstrelend landschap in het groen. Langs een dalend grindpad passeer ik een betonnen wegkruis wat scheef is weggezakt langs twee bomen die het gesteente enigszins tegenhouden. Het is een beetje trieste aanblik die symbool staat voor het wankele geloof dat bij veel mensen is ontstaan. De eerste brug over de ‘Berwinne’ is ook al in een niet al te beste staat. Dit geeft mij een beeld van de gebrekkige manier waarop wij mensen de ‘geestelijke bruggen’ naar elkaar toe willen bouwen. En als de ‘brug’(relatie) eenmaal geslagen is wordt er weinig meer gedaan om de ‘brug’ in goede conditie te houden. Ik betrap mijzelf erop dat ik de ‘bruggen’ in mijn leven ook vaak verwaarloosd heb. De ‘pelgrimage’ leert mij op deze eerste dag al meteen een harde les.

Ik doorkruis een klein bosgebied bij ‘Dalhem’ en kom via een zeer smalle doorgang in een doorweekt weiland terecht. De stevige klim door het weiland brengt mij bij een aantal huizen aan de rand van ‘Bombaye Dalhem’. Langs het troittoir in een klein bloemenperkje staat een laag houten wegkruis met een beeld van de gekruisigde Jezus. Als ik mijzelf gehurkt bij het wegkruis op de foto wil zetten wankel ik wat heen en weer en houd mij met één hand aan het houten kruis vast. Het roept een beeld in me op van de mensen die in hun leven ook vaak aan het wankelen zijn gebracht door allerlei oorzaken, maar nooit een houvast hebben kunnen vinden. Nooit iemand hebben gehad die hen nabij stond, en altijd het gevoel hebben gehad er alleen voor te staan. Totdat zij het houvast van het ‘wegkruis’ ontdekten, waarmee velen in ieder geval één betrouwbaar houvast hadden. Een ‘Bron’ waar zij wél troost, bemoediging of aandacht ontvingen. Voor mij als pelgrim een geruststellende gedachte dat ik áltijd ‘Iemand’ heb waar ik terecht kan, daar waar anderen mij niet meer zien staan. Ik wandel verder door het kleine straatje en passeer nóg een wegkruis met het opschrift ‘Mon Jésus Miséricorde’. Voor mij een prachtig beeld van het ‘houvast’ dat mensen mogen vinden bij het kruis.

Ik ‘sluis’ mijzelf door een smal houten poortje een weiland in met prachtige vergezichten. Bij het plaatsnaambordje van ‘Bombaye’ steek ik bij een boer een verkeersweg over en beland midden op het modderige boerenerf. In mijn beste ‘Frans’ vraag ik de boer, die mij wat vreemd aanstaart, waar ik mijn ‘Marche du Pelgrimage’ kan vervolgen. De boer pakt mij bij de schouder en brengt mij op vriendelijk wijze naar de juiste plek in het weiland. “Geweldig, zo’n houvast.”; stel ik opgelucht vast. Vanuit het weiland zie ik hoe een TGV-trein, voortgetrokken door een dieselloc, over de grote spoorbrug bij ‘Berneau’ passeert. “Ok, dus hier gaat ook weleens wat mis.”; bedenk ik een beetje cynisch. Ik heb nog wat oog voor een tak met mooie rode besjes en steek vlak voor de spoorbrug opnieuw het riviertje de ‘Berwinne’ over.

De spoorbrug bij ‘Berneau’ is een imposant bouwwerk en steekt contrastrijk af tegen de fraaie blauwe luchten. Tussen de bomen met ‘maretakken’ verschijnt de kerk van ‘Berneau’ in beeld. Het plaatsje heeft iets liefelijks en warms over zich. Maar al snel sla ik linksaf een drukke verkeersweg op, om daarna rechtsaf voor de spoorbrug aan een stevige beklimming te beginnen door het ‘Natuurgebied van de Berwinne’. Over het plateau, waar ik wordt aangestaard door een viertal ezels, heb ik overweldigende uitzichten over de weide omtrek. In combinatie met een stralende zon en blauwe luchten krijg ik een heerlijk gevoel van ‘vrijheid’. Voor het eerst deze dag overvalt mij een emotioneel gevoel van ‘zegen’, dat je iets krijgt waar je eigenlijk geen rekening mee hebt gehouden. Een luidruchtig ‘Dank U wel’ is mijn antwoord op deze zegen die mij ten deel valt.

Voorbij een kleine ‘hoogstam boomgaard’ bereik ik een heuse ‘holle weg’ met dassenburcht die mij opnieuw tot bij de ‘Berwinne’ brengt. Ik steek het riviertje weer over en wandel door de kleine straatjes van het plaatsje ‘Moelingen’. Langs een tweetal pittoreske gebouwen bereik ik in een open weiland een zitbank waar ik een moment van rust neem. De zon geeft mij zowaar een ‘voorjaarsgevoel’. Als ik mijn wandeling weer vervolg stuit ik op een klein monumentaal tuintje. Het blijkt een zelfgemaakt ‘bedevaartsplekje’ te zijn van de plaatselijke boer. Ik geniet ervan als ik bedenk dat iemand een plekje heeft waar die zich even kan onttrekken aan het ‘sociale leven’, zoals die ‘pelgrim’ die dit plekje passeert. Als vanzelf neem ik een moment van stilte en gebed, in de hoop dat meer mensen een plekje van rust in hun leven weten te vinden. “We hebben het zó nodig allemaal.”; is mijn gedachte als ik het kleine ‘pelgrimsplekje’ achter me laat.

Vanaf de ‘Batticestraat’ draai ik rechtsaf een boerenveldweg op. Opnieuw ben ik getuige van de majestieuze vlucht van een ‘buizerd’ die neerstrijkt in het weiland links van me. Ik aarzel geen moment en zoom met mijn fotocamera in op het prachtige dier, die mij van een afstand nauwlettend volgt. Nog voordat de buizerd met machtige vleugelklappen opstijgt heb ik hem vastgelegd op de ‘fotokorrel’. Even verderop passeer ik ‘grenspaal 436’ waar in feite mijn wandeltocht over Nederlands grondgebied tot in ‘Den Helder’ begint. Luttele meters verder bereik ik het meest zuidelijke kerkdorp van Nederland ‘Mesch’, waar de originele ‘Pelgrimspadroute’ van deze eerste etappe eindigt. Langs het fraaie kerkgebouw en de typische Limburgse landerijen steek ik het beekje ‘De Voer’ over en verlaat ik ‘Mesch’ in de richting van de ‘Meschermolen’. Daar steek ik nogmaals ‘De Voer’ over om via een smal graspad tussen de weilanden door in ‘Withuis’ te komen. Aan het slot van deze eerste pelgrimsetappe passeer ik het buurtschap ‘Mariadorp’ met z’n statige witte kerk. Niet veel later kom ik aan op het station van Eijsden en stap ik om 14.02 uur in het Belgische treintje op weg naar huis. Turend door de ruit van de trein krijg ik een brede glimlach op m’n gezicht. Mijn ogen struinen opnieuw de blauwe luchten aan de horizon af en uit mijn mond klinkt een zachtjes hoorbaar;  “Dank U wel.”