24/26 Montfort - Sittard (20,3 km)

24/26 Montfort - Sittard (20,3 km)
10 december 2014:

".....hun namen, die ik een voor een zachtjes in mezelf opnoem."

Een week na onze ‘liefdesverklaring’ zie ik ernaar uit om mijn ‘geliefde’ vandaag weer te ontmoeten. Sinds de start ben ik het Pieterpad gaan omarmen als een bron van rust en stilte, maar ook als een bron van troost en bemoediging. Het pad is een ontdekkingsreis geworden, waarin ik op een liefdevolle wijze getuige mag zijn van de schoonheid van de Schepping. Het Pieterpad heeft mij laten zien dat ons eigen kleine landje, het landje waar we wonen en werken, de moeite waard is om te ontdekken. “Wat doen velen ons land toch tekort.”; zo is mijn opvatting, als ik bedenk dat sommigen alleen maar op vakantie gaan in het buitenland, omdat er in Nederland volgens hen niets te beleven valt. “Wat hebben deze mensen het vreselijk mis.”; zo ben ik nu vast overtuigd.

Vandaag ga ik op weg naar Sittard, voor mij een beetje ‘De poort van Zuid-Limburg’. “Op weg naar m’n vaderland.”; is mijn stille gedachte als ik ’s ochtends om iets voor zevenen naast m’n bed stap. De weersberichten zien er voor vandaag nogal somber uit. Er ligt veel regen en een stevige zuidenwind in het vooruitzicht. Ik twijfel dan ook een beetje over de juiste kleding. Ik besluit uiteindelijk om wat meerdere ‘dunne laagjes’ over elkaar heen aan te trekken, zodat ik het vanaf de start meteen lekker warm heb. Na mijn ontbijt speur ik nog een keertje teletekst af en verbaas mij over het vele nieuws dat er te lezen is. Ik bedenk de enorme hoeveelheid nieuws die ons dagelijks wordt voorgeschoteld en vraag me af of dat nou wel echt zo nodig is. Van de meeste nieuwsberichten worden we geen steek wijzer en sommige berichten zorgen alleen maar voor nog meer onduidelijkheid en vooral onrust bij veel mensen. Ik zou soms willen dat er eens een week lang géén nieuws werd uitgedragen. “Zouden we dan nog kunnen functioneren?”; vraag ik mij af. “Je hoeft toch niet te kijken.”; hoor ik mensen al roepen. Maar je ontkomt er niet aan, het nieuws ligt bijna letterlijk op straat. “Eigenlijk is het een zorgwekkende ontwikkeling.”; overpeins ik nog wat verder door, op de gedachte van de massale nieuwsberichten van tegenwoordig.

Ik laat uiteindelijk het nieuws maar voor wat het is en richt mij op de wandeldag van vandaag. Onderweg naar het station van Landgraaf heb ik al snel in de gaten dat de treinen vertraging zullen oplopen. De Euregiobahn blijkt inderdaad tien minuten te laat aan te komen en de Veoliatrein is ook een minuutje of vier te laat. In beide gevallen mis ik, samen met de vele andere reizigers, in Heerlen de aansluitende intercitytrein richting Sittard. Een halfuurtje later dan gepland vertrek ik richting Sittard en stap daar over op de stoptrein naar station Echt. Nadat ook deze enkele minuutjes te laat aankomt in Echt begin ik om 09.25 uur met mijn aanlooproute van 3,4 km naar het startpunt van de etappe, een stukje buiten Montfort. Tijdens de aanlooproute wordt duidelijk dat ‘mijn vaderland’ al een beetje dichterbij komt. Ik passeer enkele typische Limburgse wegkruizen en de Limburgse taal verschijnt onder de plaatsnamen. ‘Ech’, ‘Sint-Joas’ en ‘’t Hènge’ zijn de nieuwe dialectbenamingen die ik aan mijn Limburgse woordenschat mag toevoegen.

Naast de akkers van ‘Grootbroek’ zet ik onder een grijze hemel en over een bemodderde landweg de eerste stappen op het Pieterpadparcours van vandaag. De eerste regendruppels prikken al snel in m’n gezicht en binnen enkele minuutjes heb ik mijn paraplu opgestoken. De stevige wind maakt het vasthouden van mijn ‘priëeltje’ tot een behoorlijke krachttoer. Ik pak m’n ‘afdakje’ dan ook snel weer in en besluit om alleen m’n regenjasje om te slaan en mij verder te ‘beschermen’ met m’n pet. “Ik ben toch niet van suiker.”; spreek ik mijzelf nogal stoer toe. Ik passeer een fraai weiland met tuinhuisje en sta bij ‘Het Leen’ stil bij een klein oorlogsmonument.

Op 1 november 1944 sneuvelden, met hun Halifax MKIII, op deze plek zeven Britse vliegeniers, in hun gevecht voor de bevrijding van Europa. “Avroy, James, William, Gordon, Walter, Robert en Harold.”; zijn hun namen, die ik een voor een zachtjes in mezelf opnoem. Het kleine monument ontroerd me en ik maak een gepaste pas op de plaats ter ere van deze mannen, die hun leven gaven voor onze vrijheid. Als ik mijn weg weer vervolg dringt een indringend besef van vrijheid tot me door; “Is het niet geweldig dat ik, zonder angst in ‘mijn vaderland’ kan rondwandelen, omdat er ooit mensen hiervoor hebben gevochten en geloofden in het bijzondere geschenk van vrijheid?” Aan de oever van het ‘Kranenbroekerven’ mijmer ik nog wat door over de werkelijke waarde van onze vrijheid. Eens temeer als ik bedenk hoeveel mensen er alles voor over zouden hebben om in vrijheid te kunnen leven vandaag. Maar helaas, er zijn nog steeds téveel machtshebbers op de aarde die menen dat hún vrijheid de enige juiste is. “Maar jullie hebben het mis, vrijheid is voor ons allemaal!!”; zo schreeuw ik, met een toon van boosheid, vanaf de oever de machtshebbers toe.

Door de bossen van ‘De Trouwe Vriend’ en ‘Het Marissen’ trek ik verder in de richting van ‘Schilberg’. De regen is inmiddels gestopt en tussen de takken van de bomen door kijk ik tegen de eerste blauwe luchten aan. Doorkijkjes over de groene weilanden geven mij een mooie indruk van het gevarieerde landschap. Ik passeer enkele ‘gefortuneerde’ huizen die prachtig afsteken temidden van al het groen. Als ik een klein industrieterrein doorkruis vallen de eerste zonnestralen op het landschap. In een soort van betovering wandel ik, in de richting van het kleine plaatsje ‘Slek’, langs de ‘Vullingsbeek’ en een monumentje ter ere van ‘Het paardje van Pey en het einde van het Romeinse Rijk in Nederland’. Het ‘kunstzinnige inzicht’ van het monumentje ontgaat mij echter. “Maar ja, dat heb ik wel meer met kunst.”; weet ik mezelf te overtuigen.

Eenmaal in ‘Slek’ stuit ik op de kleine, maar heel mooie, ‘St.Anthoniuskapel’. Binnenin de kapel gaat m’n rugzak af en neem ik een moment van stilte en rust. Mijn gedachten gaan toch weer uit naar de vrijheid, die vooral veel mensen op deze aarde nog steeds moeten ontberen. Mijn stille gebed in de kleine kapel is, dat die mensen hun hoop en geloof op de vrijheid nooit zullen verliezen, want zonder dat is er geen vrijheid. In een woord van dankbaarheid, voor de vrijheid die ik en velen met mij in ‘ons vaderland’ mogen genieten, sluit ik mijn stille gebed af. Voor enkele minuten hul ik mij in de volledige stilte van de kleine kapel. Via de ‘Slekkerstraat’ verlaat ik het plaatsje en stap het bos in van het natuurreservaat ‘De Doort’.

Het smalle bosgebiedje brengt mij via een doorkijkje langs de spoorlijn Sittard-Roermond, waar ik het treinverkeer kan horen langsrazen. Een smal bospad, langs een evensmalle sloot, voert mij door een open weidelandschap. Vlak voor het buurtschap ‘Heide’ zie ik van grote afstand een ‘witte reiger’ stokstijf stilstaan in een weiland. Met m’n telefunctie van de fotocamera leg ik het prachtige tafereel vast op de gevoelige plaat. Ik wordt er helemaal blij van, dat ook dit ‘plaatje’ me lukt. Heel even neem ik een moment om het prachtige dier iets langer te bekijken. “Geweldig, wat een geduld om een prooi te vangen.”; bedenk ik. “Had ik maar zoveel geduld!”; is mijn ontstellende gedachte. “Misschien hoort dat wel bij mannen.”; zo probeer ik mijzelf een beetje te rechtvaardigen.

Ik passeer het ‘Landgoed Hommelheide’, een voormalige camping waar nu alleen nog vakantiewoningen te huur zijn. Aan camping ‘De Hommelheide’ koester ik dierbare herinneringen. In mijn ‘vrijerstijd’ reed ik, tijdens de zomermaanden, zowat iedere dag op m’n fiets van Landgraaf naar Susteren om ‘de vrouw van mijn leven’ te kunnen zien. Zij bracht daar met haar ouders en broers en zus de zomer door, dus wilde ik haar zien moest ik naar de camping. Het was een fietstochtje van zo’n vijftig minuten. Ik maakte er altijd een sport van om het tochtje binnen vijftig minuten te doen. Door mijn stevige voetbaltraining had ik een conditie als een paard, zoals dat zo mooi heet. Ik presteerde het zelfs één keer om binnen veertig minuten de afstand te overbruggen. “Wat je niet al doet voor de liefde?”; zo stel ik nu jaren later vast. Het vele harde gefiets, in combinatie met het vele trainen op het voetbalveld, zorgden er uiteindelijk voor dat ik drie maanden volledig afgemat op bed moest doorbrengen met de ‘ziekte van Pfeiffer’. En dat ook, voor de liefde.

Langs het slootje ‘Middelsgraaf’ wandel ik ‘Susteren’ uit en doorkruis al snel het ‘IJzerenbosch’. Over het lange geasfalteerde fietspad door het bos bereik ik de ‘Rijksgrens’ met Duitsland. Op een ‘duobankje’ kijk ik uit over de landerijen in de richting van onze oosterburen. Bij de passage van het Duitse grondgebied en ‘Werner’s Eimer’, wat dat ook moge betekenen, kom ik terecht op een met modder bezaaide veldweg. Ik slinger mij een weg tussen de modder door langs een hooiwagen. Als ik de weg opga van de ‘Isenbrucher Mühle’ is het een grote glijpartij over de veldwegen en langs de weilanden. Maar vreemd genoeg vind ik het heerlijk om ‘door de modder te dabben’, zoals we dat in Limburg noemen. Ik voel me weer even als een kind dat zich lekker vies mag maken.

Als ik eindelijk ‘Carrefour de L’arbre’ gepasseerd ben duik ik onder een viaduct door langs het ‘Vloedgraafpad’. Daar valt het stilaan op dat de winter in aantocht is. De lange schaduwen van de bomen werpen de lage zonnestand van de winters al vooruit. Het is een mooi contrast, de kale bomen zonder blad met z’n lange schaduw over het groene gras, met aan de horizon de strak blauwe lucht en grijs/witte wolken. Voor mij is het ‘De Tuin’ die zich opmaakt voor de winterslaap. Die zich ‘te ruste’ legt om zich te sterken voor het nieuwe jaar in aantocht. Ik bedenk dat wij mensen dat ook nodig hebben. Ook wij zullen ons van tijd tot tijd even te ruste moeten leggen om ons te sterken voor een nieuwe levensperiode. “Wat vergeten veel mensen dat te doen.”; is de vaststelling die ik al vaker heb gemaakt. “Kom op mensen, jullie kunnen niet constant bezig zijn!”; zo spoor ik de mensen in mijn gedachten aan.

Ik kom aan in het mooie Duitse plaatsje ‘Millen’ met een mooi dorpsgezicht. Vooral het doorkijkje over een vijver met een soort witte besjes op de voorgrond is zeer pittoresk. Langs een evenzo pittoresk weiland langs de kerk wandel ik Millen weer uit. Over een modderige brug steek ik de, voor Zuid-Limburgers bekende, ‘Roode Beek’ over. Met opnieuw een ‘glijpartij’ over een blubberige veldweg ben ik op weg in de richting van het centrum van Sittard. Het is verbazingwekkend hoe weinig bebouwing ik eigenlijk tegenkom langs de ‘Geleenbeek’, die dwars door de stad zijn weg baant. De eenden zwemmen ongestoord rond in het snelstromende water. Na de doorgang onder een houten brug sta ik aan de waterkant tegenover de prachtige St.Petruskerk van Sittard. Het is een stadstafereel dat je zelden ziet.

Plotseling besef ik weer dat ik op weg was naar ‘mijn vaderland’ en noemde ik Sittard niet ‘De poort van Zuid-Limburg’? Ik denk na over ‘mijn vaderland’ en hoe ik dat land dan zou omschrijven. Het antwoord op die vraag moet ik mijzelf op dat moment schuldig blijven. Mijn gedachten gaan uit naar een lied waar ik de afgelopen twee weken veel naar geluisterd heb. Het lied “Wild Mountainside” van Eddi Reader geeft mij een vertroostend en ontroerend beeld van ‘mijn vaderland’ waar ik, al zwervend over het Pieterpad, naar op weg ben. ‘Terug naar huis’, ‘terug naar thuis’, ‘terug naar de liefde’, ‘terug naar het kind in mij’, zijn de woorden die misschien wel het mooiste weergeven wat ‘het vaderland’ voor mij betekent. Op het grote marktplein van Sittard eindigt mijn etappe en kijk ik vol bewondering naar het grote reuzenrad op het plein. In mijn fantasie neem ik plaats in een van de kuipjes van het reuzenrad en laat mij meevoeren de grote hoogte in, om ‘mijn vaderland’ van boven te bewonderen en toe te roepen; “Ik hou van jou!”

 

volgende etappe >>