Citaat uit het boek 'Verspil je leven niet' van John Piper

Je kunt niet eeuwig door de dingen heen blijven kijken. Je kijkt ergens doorheen om iets te zien. Het is goed dat het raam doorzichtig is, want zo zie je de straat of de tuin. Maar als je nu ook door de tuin heen kon kijken? Het heeft geen zin om door de eerste beginselen heen te kijken. Als je overal doorheen kijkt, is alles doorzichtig. Maar een volledig doorzichtige wereld is een onzichtbare wereld. Als je door alles heen kijkt, zie je in feite niets.

't Draaihekje

Een leuk en ontspannend verhaal met een glimlach. Het ‘draaihekje’ mag je zien als de poort terug naar die prachtige tuin(Eden), zoals God het bedoeld had. Even terug naar dat ‘hemeltje’, die mooie plek om tot rust te komen.

Ik loop zo, op een dooie door-de-weekse dag, naar mijn hemeltje. Altijd kom ik wel met een of ander zwaar pakket, een koffer vol warrige gedachten, matte moedeloosheid of andermans pijn. Maar het draaihekje is op maat en laat geen koffers toe. 'Zet die koffers daar maar neer, vriend', fluit een vogel die mij al weer ziet komen. 

Een paar bomen kijken uit hun hoge kruinenkoppen nieuwsgierig hoe dit mannetje hun stille, ruisende wereld binnenwandelt. Ingeklemd tussen dikke bielzen-palen wurm ik alleen mijzelf het uitgestrekte natuurgebied in.

Voor ik 't zelf goed in de gaten heb sta ik zonder al dat zware, in m'n eentje in 'Gods tuin'. Diep ademhalen, de frisse geuren van het eerste bos insnuiven. Tintelingen door m'n lijf. Een paar hupjes, een half-dansje waarbij mijn kleine leren tasje de lucht in zwiert. Een tasje met daarin Gods boekje, zo'n twee- tot drieduizend jaar oud, jawel, maar zo spannend als dat licht daar ergens achter in het bos. Zie je dat? Opeens een klad licht daar achter in die bosrand, waardoor het gele gras als vuur opvlamt?! Een explosie van kleur. Ja,… zo is Zijn boekje.

Het feest is begonnen en in gedachten dans ik over de opgestapelde boomstammen, blijf haken aan een uitstekende tak en hang spartelend in de lucht. Armen en benen vrij, droog-vliegend onder de spottende kruinen van de bomen. Wat zou het allemachtig heerlijk zijn om over Gods tuin te vliegen, samen met die donkere buizerd. Cirkels draaien en duiken. Ergens boven in een boom roerloos stil zitten en dan met koninklijke waardigheid opstijgen. Fantastisch. Een krak en een doffe plof.

'Je bent een fantast', beleer ik mijzelf. 'Een zielige en een gevaarlijke fantast. Ja, want wat is fantaseren nou eigenlijk? Het is toch niks anders dan onmacht! Je kunt iets niet en daarom fantaseer je maar dat het toch gebeurt! Dat is nou het armzalige van schrijvers, schilders en dromerige slenteraars zoals jij... je fantaseert er maar op los en gaat nog in je eigen fantasieën geloven ook! En dat is ronduit gevaarlijk. Maar wat heb je in je handen? Lucht!' 'Ja, lucht', antwoord ik mijzelf en kijk naar de lucht. Machtig wat een koppen, wat een geweldige wezens. Wat een armen en grote grijperige handen. Ik tast met mijn ogen de enorme wolkenstoeten af en zou al dat donkergrijs en loodblauw wel open willen breken om het zilveren en gouden licht van de late middagzon op die grote tuin te gieten. En het gebeurt nog ook!

Een breuk ergens tussen twee donker-grauwe wolken en het licht spat er uit, breekt door het landschap en valt op de bosranden ver weg.
'God! Wat een pracht!' hoor ik mijn stem verzuchten en mijn handen willen uit de zakken om naar boven, naar die engelen achter dat hemelvenster, terug te zwaaien. 'Hoi, hela! Hier beneden, hier ben ik weer, Ad, ………! Zoeker en genieter...!'
Maar 't is al weer weg, en het licht zwenkt kort door de lucht, alsof het weer terug getrokken wordt. Het is natuurlijk te kostbaar al dat goud en zilver zo plompverloren op de aarde. Ze houden het gewoon boven vast.

Mijn hoofd zit vol van alles achter het draaihekje. Het draait en maalt door mijn verwaaide kop: 'Twee mensjes, constant met elkaar in gesprek. Buiten-ik en Binnen-ik, achternaam en voornaam. Eén voor alle mensen, telefoonboeken en sollicitatiegesprekken. Een ander voor jezelf, je vriend of vriendin, je allerliefste. Dat 'ik met ik' kan spreken is mens te zijn tussen dier en God, wonder en lot. Twee-gesprek in één. Is er een 'binnenzelf' en een 'buitenzelf'? Zoiets als een wereld in een wereld, of een tuin in een tuin? Ben ik vreemdeling of vluchteling in eigen vel? Is dat gepraat zucht naar fantasie, of gewoon honger naar rust? Honger naar hoe Hij, de Schepper, het ooit heeft bedoeld?